Herman den Blijker

’Ik houd nooit maat’

Vanaf dag een in mijn leven heb ik moeten vechten.

„Vechten niet, wel overleven. Mijn jeugd was niet moeilijk. Wel ben ik al vroeg het huis uitgegaan, op mijn veertiende. Misschien was het bij ons thuis anders dan bij anderen, maar dat wist ik toen in ieder geval niet. Ik heb een soort obsessie met veel eten, ik vind het heel belangrijk dat er altijd veel eten op tafel staat. Wat dat betreft kan ik geen maat houden: geen pondje kaas of een onsje ham, nee, hompen kaas en bonken ham! Geen fles wijn, maar een kist. Als kind had ik niet zoveel met eten, want het was er gewoon niet. Soms aten m’n drie zussen en ik een spruitje van de avond ervoor als ontbijt. Rond m’n veertiende begon ik veel buiten te spelen, je weet wel: op straat hangen, rommelen. Ik kreeg verkering met een ouder meisje, wat ik uiteraard erg interessant vond. Toen ben ik maar het huis uitgegaan en moest ik geld verdienen. Zo kwam ik in de bediening bij Van der Valk terecht. Dat vond ik helemaal niks. De gemiddelde gast was een jaar of 70, stond ik daar als pikkie in een veel te groot wit overhemd dat ik van mijn vader had gejat, op zondag tongetjes voor het bejaardentehuis te fileren. Later rolde ik daar de keuken in en daar werd ik wel blij van. Keihard werken natuurlijk, maar een goede sfeer, gezellige mensen, drukte. En elke avond biefstuk met friet. Zo lekker, ik kon er geen genoeg van krijgen. Thuis hadden we misschien hooguit een keer per week vlees. Het was geen jeugddroom om in de horeca te werken, maar zo ben ik erin gerold en ben ik blijven hangen. Vanaf die tijd is mijn buik gaan groeien, haha.”

Als ik het over kon doen, had ik graag gestudeerd voordat ik kok werd.

„Van ’oh, had ik maar’ ben ik niet, maar ik heb wel een periode gehad dat ik dacht dat ik misschien wat langer op school had moeten blijven. Ik doe m’n dingen zoals ik ben: intuitief, niet bedacht. Op een gegeven moment kreeg ik wat met een meisje uit Den Haag. Via haar leerde ik iemand kennen die een zaak ging openen. Hij had gehoord dat ik in de keuken werkte en vroeg of ik chef wilde worden. Trots was ik, als jonge gozer, en ik vond het spannend. Geen opgesmukt gedoe, maar lekker gebakken vis maakten we, met een salade erbij. We hadden het hartstikke druk. Die tent was vlakbij wat nu het Circustheater in Scheveningen is, maar toen zat daar het Nederlands Danstheater. ’s Avonds laat stroomde het vol met al die types die na het trainen langskwamen. Een heerlijke tijd, echt gezellig. Op een gegeven moment stond ik daar visjes te bakken en ineens lukte het me niet meer. Ik snapte maar niet waarom. Ineens snapte ik heel veel niet meer en ging ik me van alles en nog wat afvragen. Waarom wordt slagroom dik als je het slaat, terwijl dat niet met yoghurt gebeurt? Waarom zijn mijn visjes de ene keer mals en stevig en de andere keer krukdroog en lazeren ze uit elkaar? Ik realiseerde me dat ik eigenlijk niks wist over wat ik aan het doen was. Waar ben ik in godsnaam mee bezig, dacht ik. Dadelijk ben ik veertig en sta ik ergens in een kroegje koteletten en gehaktballen te maken, niks mis mee, maar dat wil ik niet. Ik werd er helemaal zenuwachtig van en wist dat ik wat moest gaan leren. In zo’n chique blad, de Avenue , zag ik een advertentie voor de kookopleiding Cordon Bleu in Frankrijk staan. Tienduizend gulden voor een jaar. Ik had inmiddels een ander meisje dat mij haar spaargeld van 4000 gulden leende. De rest spaarde ik erbij door te werken. Zonder na te denken, zonder een kamer te regelen, vertrok ik in m’n eentje met de trein naar Parijs. Bleek de klas vol te zitten met van die diplomatenvrouwtjes die op zo’n cursus werden gedouwd omdat ze wat te doen moesten hebben. Maar ik kreeg les van een kerel die ook voor de president had gekookt, over de supertraditionele Franse keuken, en ik vond het hartstikke leuk. ’s Avonds sliep ik in een hotel om de hoek en elk weekeinde ging ik naar huis om bij te beunen om dat hotel te kunnen betalen.”

Het is niet leuk om ondernemer in Nederland in zijn.

„Ach, dat zeg ik niet, maar van al die regeltjes word je soms gek. Mijn restaurant Las Palmas is als horeca verhuurd. Komt er op een gegeven moment zo’n kerel van de gemeente die begint te roepen: ’Je vuilnis staat daar, dat mag niet, dat moet naar binnen’. Ik zeg: ’Dit is een hele grote zaak, dus ik heb elke dag drie containers vol’. Drie dagen achter elkaar komt die kerel me dat vertellen. Op de vierde dag heb ik ’m bij z’n jassie gepakt – vrij hardhandig – en gezegd: ’Moet je koffie? Ga effe zitten’. Ik zet hem neer op een stoel, middenin de zaak, ik rol zo’n stinkende vuilcontainer naar binnen en zet die pal naast ’m neer. Begint-ie te gillen: ’Wat doe je nou?!’ Ik zeg: ’Dat wil je toch?’ Hij weer gillen dat ik een gevaarlijke gek ben en hij loopt zo de deur weer uit. Kwam-ie later terug met vier man, met hamers en spijkers, bij wijze van spreken om de tent te sluiten. Ik zeg: ’Denk effe na, jongens, zo kan ik niet werken’. Ja, dan is dit land overgeorganiseerd en word je redelijk gek.”

Ik kan goed alleen zijn.

„Zeker. Ik zoek het ook wel eens op. Vroeger reed ik vaak na het werk ’s nachts naar Scheveningen om aan zee een sigaartje te roken. Voor een voorbijganger zag het er vast zielig uit, maar ik vond het heerlijk. Nu nog, maar ik vind het vooral lekker om na het werken naar huis te gaan en aan die kleine te voelen, mijn zoontje Matz. Dat weke, dat slappe, dat lekkere vlees van z’n rompje… Het is zo’n droppie! ’s Ochtends lig ik altijd te wachten totdatie wakker wordt en dan hoor ik hem roepen: ’Mamaaaa! Mamaaaa!’ Dan denk ik: Kappen nou, waarom nooit eens godverredomme ’Papaaa!’ Dan komt-ie naar beneden en dan zeg ik: ’Matz, je maakt papa heel verdrietig. Alleen de hele tijd mama, mama, mama roepen terwijl papa zoveel van je houdt. Ik ben echt niet boos op je, ik hou van je, maar ik ben wel verdrietig’. Haha, erg he. Dan kruipt-ie bij me in bed, met dat heerlijke bekkie van ’m, in z’n pyjamaatje, zo’n kindje ruikt zo lekker, dat mollige vlees, zacht en warm, en dan komt-ie tegen me aan liggen en zegt-ie: ’Ik hou van jou, papa’. Zo heerlijk.”

Ik ben bang om te sterven.

„Ik heb altijd gedacht dat ik niet ouder dan 30 zou worden. Toen ik 30 werd, dacht ik: ik haal de 40 niet. Dat was ook deels waarom ik geen kinderen wilde. Ik weet echt niet waar die angst vandaan komt. Het is wel minder geworden dan vroeger. Maar het was echt een diepe overtuiging die ik niet van me kon afschudden. Als ik nu de gedachte toelaat dat ik misschien nog maar 10, 15 jaar heb te leven, dan kan me dat in een keer helemaal verstikken. Dan denk ik: wat heb ik in godsnaam met m’n leven gedaan? Hoe georganiseerd mijn gedachtes ook altijd zijn, de vakjes in m’n hoofd waarin ik alles opsla, ineens kan ik dat niet meer. Een soort rare paniek. Ik moet het wel halen, want ik wil die kleine graag zien puberen. Als ik hem en mijn meissie zie, denk ik: dat mag ik niet missen.”

Het grootste misverstand over mij…

„Ik zou het niet weten, maar waar ik me kapot aan erger, is dat mensen allemaal een oordeel over je hebben. Het interesseert me niet wat ze van me vinden, maar ik verbaas me erover dat ze hun mening verkondigen alsof het de waarheid is.”

Bron; De Telegraaf

TERUG NAAR OVERZICHT

Lifestyle

Loyalty kaart

Om te profiteren van alle voordelen heeft u een persoonlijke loyalty Las Palmas Card nodig, geregistreerd op naam en huidige adres. De loyalty Las Palmas Card aanvragen is heel eenvoudig. Dat kan via deze site of bij de receptie van Restaurant las Palmas.

Tweets uit Las Palmas

En dan zo op je bord,, #bavette uit de #josper #linzen #cantharellen #witlof u een mooie avond. https://t.co/sAUJeYrlNr